Impuls: Ronde tafel gesprekken
Impuls: Ronde tafel gesprekken
Rubriek: de ronde tafel
Impuls 3e jaargang
nummer 9 september 2009
Het is –helaas- weer een hot item in Nederland: jeugdwerkloosheid. Maar hoe groot is het probleem? Krijgen we dezelfde situatie als in de jaren ’80 toen jongeren door de toenmalige crisis jarenlang buitenspel stonden? En wat doen gemeenten om de kansen voor jongeren te keren? De plannen zijn goed, vinden de deelnemers aan het rondetafelgesprek. Maar is de uitvoering van die plannen dat ook altijd? En draagt de Wet Investering Jongeren bij aan de oplossing van het probleem?
Een nieuwe generatie Nix
Het is een oude stelregel die telkens weer opgaat. Jongeren krijgen de hardste klappen als de werkloosheid stijgt. Met de huidige crisis reppen pessimisten dan ook alweer van de dreiging van een nieuwe 'verloren generatie'. Gespreksleider Peter van Eekert vraagt of het probleem anno 2009 even groot is als toen. Jens Roep vindt de situatie nu wezenlijk anders: “Jongeren zijn tegenwoordig een stuk ‘leniger’. Ze werken bijvoorbeeld veel meer tijdens de studie.” Pieter van Schie noemt de vergrijzing als groot verschil: “Daardoor zouden we de jeugdwerkloosheid dit keer sneller moeten kunnen oplossen. Straks hebben we weer te weinig arbeidskrachten.” Hester Veenhuijsen beaamt dat maar wijst erop dat het nog een beetje koffiedik kijken is: “We hebben nu bijvoorbeeld te maken met de ontwikkeling dat mensen langer doorwerken. Het wordt nog spannend.” Arjen van de Broek ziet het als een groot voordeel dat we de jaren ’80 hebben om lering uit te trekken: “Beleidsmakers zijn er nu erg alert op dat de verloren generatie niet weer ontstaat. Bovendien hebben de lokale overheden andere instrumenten dan toen.”

Het Salou-effect
Maar hoe erg is de situatie nu dan? Volgens Veenhuijsen een lastige vraag: “Als je kijkt naar de jongeren die aanspraak doen op de WWB is een kleine toename te zien en van de collega’s van de UWV werkbedrijven begreep ik dat ook. In juni en juli is dat gelijk gebleven. We verwachten dat de toename in september en oktober steeds manifester gaat worden. Maar aanvankelijk werd gezegd dat we voor de zomer de grootschalige effecten al zouden gaan zien en dat is niet zo. Dat kan echter aan het ‘Salou-effect’ liggen. Jongeren gaan met vakantie en komen er daarna pas achter dat het niet zo makkelijk gaat op de arbeidsmarkt. Misschien zien we die groep in september en oktober aan de balies van UWV werkbedrijven en de Dienst Werk en Inkomen.” Van Schie merkt op dat de jeugdwerkloosheid in Nederland nog wel achterblijft bij veel andere landen.Van de Broek denkt echter dat de door het CBS gehanteerde cijfers niet altijd kloppen: “Er is een publicatie verschenen waarin staat dat beleidsmakers te makkelijk over ‘het werkloosheidscijfer’ spreken. Er zit eigenlijk nog een aandeel van verborgen werkloosheid in, onder andere doordat steeds meer mensen parttime werken.”
Tweedeling
Barry Diepeveen vindt dat er in de discussie over jeugdwerkloosheid een tweedeling gemaakt moet worden: “Er is een groep kansrijke jongeren die goed is opgeleid en een groep kansarme jongeren. Een groep die misschien wel helemaal geen kansen heeft. Deze groep lijkt steeds groter te worden”. Veenhuijsen vult aan: “Er is een soort verdringing gaande. Op het moment dat er meer jongeren beschikbaar zijn voor banen dan verdringt de hbo’er de mbo’er, de mbo’er de lbo’er en de lbo’er de ongeschoolde. Dat is wel zorgelijk. Mensen met een vlekje kun je daardoor steeds minder bemiddelen, terwijl juist voor hen participatie buitengewoon belangrijk is.” Van de Broek ziet die tweedeling nog verder versterkt worden door het grote aantal aanmeldingen op universiteiten en hogescholen: “Een positieve ontwikkeling, maar de keerzijde is dat de lager opgeleiden nog meer te maken kunnen krijgen met verdringing door de hoger opgeleiden.”

Beroepskeuze blijft lastig
De deelnemers wijzen op een achterliggend probleem bij het ontstaan van jeugdwerkloosheid: de keuze voor een bepaalde opleiding of beroep die jongeren op steeds jongere leeftijd moeten maken. Van Schie: “Op je 14e moet je al weten wat je wilt. We moeten jongeren daar beter bij begeleiden. Er zijn heel goede instrumenten om te bepalen welke kant iemand op moet, maar ze zijn vaak veel te abstract.” Daarbij constateren de deelnemers dat ook de aansluiting van opleidingen op de arbeidsmarkt niet goed is. “Als je allemaal meiden hebt die nagelstyliste willen worden, heb je een probleem“, stelt Veenhuijsen. Van Schie wijt het ook aan de dynamiek van het bedrijfsleven: “Bedrijven hebben lassers of ICT’ers nodig en het ROC gaat daar dan mee aan de slag. Na twee jaar zijn ze er, en dan is de behoefte alweer anders.” Roep denkt dat sommige branches en beroepen wellicht beter gepositioneerd zouden kunnen worden. Veenhuijsen ziet in de praktijk wel dat onderwijsinstellingen daar over nadenken. “Ze laten kinderen van 12 bijvoorbeeld stages doen. Veel banen zijn voor kinderen erg abstract en ze moeten inderdaad al heel veel vroeg hun richting bepalen. Ik kan me voorstellen dat dat tot teleurstellingen leidt. Ook werkgevers zijn er wel mee bezig. Albert Heijn biedt jongeren bijvoorbeeld een soort BBL-traject aan.” Diepeveen ziet soortgelijke projecten, bijvoorbeeld bij bouwbedrijven. Ze leiden de mensen zelf helemaal op. Wij zijn nu ook met zoiets bezig in Amsterdam, met de woningbouwvereniging IJmere. En er loopt een groot project in Rotterdam, met fantastische resultaten. We proberen kansarme jongeren uit de bak van sociale diensten te houden. Het kost de overheden niets, de jongeren krijgen een baan en je houdt ze van de straat.”
Regionale plannen
Van Eekert vraagt hoe het met de regionale plannen gaat die 1 september klaar moeten zijn. Van de Broek heeft een aantal plannen gezien. Het viel hem op dat ze vaak sterk inhaken op het actieplan jeugdwerkloosheid van het Ministerie en weinig creatief zijn. Roep legt uit dat de creativiteit wat hem betreft vooral in de uitvoering moet zitten: “We moeten niet alles willen dichttimmeren. Net als vroeger, toen je bijvoorbeeld geen werkervaring op kon doen omdat je beschikbaar moest zijn voor werk.” Hij wijst op een bijkomend voordeel van het maken van de plannen: nieuwe samenwerkingsverbanden in de regio’s. “Werkgevers maakt het niet uit in welke gemeente een jongere woont, maar de instrumenten van die gemeenten verschillen wel. Als je daar eenheid in kunt brengen, is het voor die werkgever veel aantrekkelijker en eenvoudiger. Doordat we nu met elkaar aan tafel zitten, denk ik dat het die kant opgaat. In Amsterdam koersen we met ons plan heel erg op plekken bij werkgevers. Uiteraard kun je niet met elke jongere meteen naar een werkgever, moeilijke jongeren moet je in een traject zo ver zien te krijgen.” Diepeveen stoort zich aan de – in zijn ogen- “verplichting” die gemeenten aan jongeren opleggen: “We verplichten ze iets te doen wat wij ze aanbieden. Wat we ze niet bieden is een garantie op werk voor de toekomst.” Roep constateert dat die garantie ook niet te geven is: “Een jongere moet het zelf doen. Wat we proberen te bereiken is dat de jongere inziet is dat hij invloed heeft op hoe z’n leven eruit ziet.”

Uitvoering
De deelnemers zijn het erover eens dat de uitvoering van de plannen uiteindelijk het belangrijkst is. Van Schie benadrukt dat gemeenten die uitvoering ook uit handen moet durven geven: “Laat het aan specialisten over. Als je als gemeente alles zelf wilt doen, is dat gedoemd te mislukken. Jongerenwerkers zijn jongerenwerkers omdat ze affiniteit hebben met de doelgroep. Geef ze de ruimte”.Van de Broek wijst op de complexiteit van de samenleving en de behoefte aan een breed aanbod van methodieken. “Jongeren zijn allemaal anders. De ene jongere moet je motiveren, de andere moet je weer op een andere manier benaderen. Er is niet een juiste koers. Je moet je aanpak afstemmen op een analyse van de verschillende groepen.” Roep merkt dat ook in de regio’s een enorme diversiteit aan jongerengroepen is. “ Alleen heb je in de regio niet voor elke groep een traject. Door de uitwisseling die nu ontstaat, en het openzetten van instrumenten voor iedereen in de regio, kunnen we ook die jongeren helpen.”
De Wet WIJ
Tot slot snijdt van Eekert een veelbesproken onderwerp aan, de Wet Investering Jongeren. Jan Zorg, die tijdens het gesprek alleen over deze wet meepraat, windt er geen doekjes om: “Ik denk dat de WIJ op lange termijn niet werkt. Er is geen verplichting voor jongeren om de gang naar de gemeente maken. De jongere moet zelf een werk-leeraanbod willen hebben, en er zijn jongeren die daar niets in zien. En hoeveel werk-leertrajecten heeft een gemeente? De WIJ zegt namelijk ook dat als het ene traject is afgelopen en de jongere nog onvoldoende inkomsten heeft, dat je dan het volgende traject moet inzetten. Daarmee stimuleer je die jongere bovendien niet om zelf werk te zoeken. Ik denk dat veel jongeren zullen afhaken en hun eigen koers volgen. Bovendien denk ik dat gemeenten de wet maar lastig vinden en erachter komen dat ze ook buiten de WIJ om jongeren kunnen helpen.” De overige deelnemers zijn minder uitgesproken over de nieuwe wet. “In Amsterdam zorgt de WIJ niet voor veel veranderingen”, legt Veenhuijsen uit. “Activering en werk gingen altijd al boven een uitkering. Maar de leer-werkverplichting stimuleert gemeenten die niet zo actief zijn. Hoewel ik me niet kan voorstellen dat die er zijn.” Diepeveen en van de Broek weten uit de praktijk dat die inactieve gemeenten er wel degelijk zijn: “Vooral kleine gemeenten hebben soms nooit echt een actief jongerenbeleid gevoerd. Daar worden ze nu mee geconfronteerd”, licht Diepeveen toe.Roep ziet echter een valkuil van de WIJ: “Als je een jongere opzoekt, een werk-leeraanbod doet en vervolgens een inkomen moet toekennen, dan loop je in feite met dat inkomen achter die jongere aan.” Op de drukte bij de jongerenloketten zal de WIJ volgens Veenhuijsen weinig invloed hebben: “Dat zijn jongeren die het steuntje in de rug echt nodig hebben. Er zijn nog best jongeren die een uitkering willen, maar de meesten hebben idealen. Bovendien is een uitkering –net als roken- niet meer zo cool. Gelukkig stroomt zo’n 50 à 60% van de jongeren positief uit. Interventie heeft dus zin.”
Tips voor gemeenten
Barry Diepeveen: “Zoek naar mogelijkheden om jongeren uit de WIJ te houden. Hou projecten van bedrijven niet tegen, die houden jongeren juist aan het werk.”
Jan Zorg: “Pik het regionaal op. De jongere in de kleinere gemeente heeft dezelfde rechten op een werk-leeraanbod als de jongere in de grote gemeente.”
Pieter"van Schie : “Blijf niet te lang hangen in de overlegfase. Schakel snel naar de praktijk, daar hebben jongeren behoefte aan.”
Arjen van de Broek: “Gebruik de WIJ om naar je instrumentarium te kijken. Neem jongeren serieus en probeer je in te leven in hun situatie.”
Hester Veenhuijsen: “Ga er meer vanuit dat jongeren niet-kunners zijn. Er zijn niet zo veel niet-willers. En werk samen met regiogemeenten, werkgevers en onderwijsinstellingen.”
Jens Roep: “Zorg dat de vergoeding bij een werk-leeraanbod niet te veel lijkt op een uitkering. Noem het bijvoorbeeld een stagevergoeding.”
|